Met 'Orphée' herneemt hij de klassieke mythe van Orpheus en Eurydice, maar verplaatst die naar een hedendaags Parijs, waar spiegels doorgangen worden en de dood zich aandient in alledaagse gedaanten.
Jean Marais, Cocteaus muze en geliefde, vertolkt de rol van Orphée en verleent de film een uitgesproken persoonlijke intensiteit. Eenvoudige maar inventieve ingrepen – vertraagde acties, omgekeerde bewegingen en onverwachte camerastandpunten – roepen een wereld op waarin de grens tussen leven en dood poreus wordt. Geluid, tekst en beeld volgen daarbij een eigen, poëtische logica, eerder suggestief dan verklarend.
In een sobere mise-en-scène, gedragen door precieze composities en een speelse omgang met filmische illusie, ontvouwt Orphée zich als een reflectie op kunst, creatie en de positie van de kunstenaar. Cinema verschijnt hier niet als reproductie van de werkelijkheid, maar als een medium dat haar transformeert tot een ruimte waarin het onzichtbare tastbaar wordt.